Toekomst Brusselse welzijnsorganisaties onzeker

maandag 27 mei 2013
Terug naar overzicht

Toekomst Brusselse welzijnsorganisaties onzeker

VGC-raadslid Elke Roex is verbolgen over de 3 nieuwe verordeningen die Collegelid Grouwels vandaag liet goedkeuren in de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie: “Deze verordeningen die de subsidies binnen het Welzijns- en gezinsbeleid regelen zijn een vrijgeleide voor het college. Alle belangrijke beslissingen, van de erkenningsvoorwaarden tot de eigenlijke subsidiëring, moeten nog geregeld worden in uitvoeringsbesluiten. Voortaan kan Minister Grouwels die criteria achteraf alleen regelen zonder de democratische inmenging van het parlement. Het College zet daarmee de deur open voor willekeur en subsidiëring ‘à la tête du client’. De facto is geen enkele organisatie vandaag nog zeker van toekomstige financiering.

De Brusselse sp.a‐fractie heeft al langer kritiek op het beleid van het VGC‐college ten aanzien van de welzijnsorganisaties. Fractieleider Jef Van Damme uitte al eerder zijn kritiek toen dezelfde methode werd toegepast voor de socio-culturele sector. Nu krijgt nu ook de welzijns- en gezinssector een verordening die leidt tot onzekerheid. Jef Van Damme (sp.a): “Wij zijn voorstander van duidelijke en transparante subsidieregels voor de sector, want daar heeft iedereen baat bij. Maar deze verordeningen zijn niet duidelijk en niet transparant. Het is een lege doos. Ze zijn zodanig vaag opgesteld dat alles nog moet vastgelegd worden in uitvoeringsbesluiten, en dus buiten de democratische controle van de Raad om.”

De nieuwe verordening welzijn heft een oude verordening op waarin het VGC-beleid van subsidiëring en erkenning van verenigingen en organisaties goed afgebakend werden. Eén van de verordeningen die vandaag opgeheven werd is die van de erkenningsvoorwaarden, subsidiemogelijkheden en de subsidiebedragen van de lokale dienstencentra. Elke Roex (sp.a): “Onder andere de loonkost van de centrumverantwoordelijke van elk lokaal dienstencentrum wordt daarin betoelaagd. De opheffing van deze verordening brengt het voortbestaan van de lokale dienstencentra in gevaar. De lokale dienstencentra verliezen daarmee elke garantie dat de loonkost van hun centrumverantwoordelijke gesubsidieerd blijft. Het collegelid heeft met andere woorden het lot van de centrumverantwoordelijken in handen en kan met hen doen wat ze wil, zonder een parlementaire procedure te moeten doorlopen en zonder criteria die vastgelegd zijn door het parlement. Dit brengt de toekomst van de organisaties in gevaar, creëert nog meer onzekerheid binnen de sector en druist bovendien volledig in tegen alle regels van de democratie.”